Nieuwe vrachtwagenheffing bevat nationale kop op Europese regelgeving

Het stimuleren van een schoner vrachtwagenpark is een maatschappelijk doel waar de overheid werk van wil maken. Het uitbreiden van de grondslag voor de vrachtwagenheffing kan een middel daartoe zijn. De nationale regelgeving gaat echter verder dan de Europese. Niet duidelijk is wat precies de toegevoegde waarde is van de ‘nationale kop’. Ook is onvoldoende in kaart gebracht wat de extra regeldruk voor dienstaanbieders is. Dat schrijft ATR in een advies aan de minister van Infrastructuur & Waterstaat.

Nationale regels gaan verder dan de Europese

De invoering van de vrachtwagenheffing is voorzien voor 2026. In de juridische voorbereidingen ging het ministerie in eerste instantie uit van een heffing naar gebruik van de weg. Die grondslag wordt nu uitgebreid met de mate van uitstoot van broeikasgassen en geluidhinder. Dit gaat verder dan wat de Europese Eurovignetrichtlijn voorschrijft (‘goldplating’). Het ministerie wil hiermee de aanschaf en gebruik van schonere vrachtwagens stimuleren.

Regeldrukkosten onvoldoende in beeld

Hoewel nut en noodzaak van de verbreding goed zijn toegelicht, wordt uit het voorstel niet duidelijk wat de regeldrukkosten zijn. Die kosten zijn aannemelijk aangezien eigenaren van vrachtwagens voor de heffing gebruik maken van een tussenpartij. Deze zogeheten dienstenaanbieder factureert de heffing aan de vrachtwagenhouder en betaalt dat bedrag weer aan de overheid. Omdat de grondslag voor de heffing wijzigt, moeten de systemen van de dienstaanbieder worden aangepast en dat kost tijd en geld. Die regeldrukkosten zouden goed in beeld moeten worden gebracht.

De formele titel van het voorstel luidt Wijziging Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Eurovignetrichtlijn.

ATR advies aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Wijziging Wet vrachtwagenheffing