Advisering door ATR, hoe werkt dat?
Een beleidsmedewerker maakt beleid dat moet bijdragen aan het verwezenlijken van publieke doelen, zoals betaalbare zorg, leveringszekerheid van energie, veilige arbeidsomstandigheden, veilig voedsel, eerlijke concurrentie tussen bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat het beleid nodig en nuttig moet zijn: er moet een maatschappelijke probleem zijn waarvoor het beleid ook echt een effectieve oplossing is. Bovendien mag het beleid niet onnodig belastend zijn: het mag geen onnodige lasten voor burgers, bedrijven en professionals met zich meebrengen (doelmatigheid). Het beleid zou anders namelijk onnodig geld en tijd kosten die beter voor andere doeleinden (bijv. innovatie, ‘handen aan het bed’) hadden kunnen worden gebruikt.

Het Integraal Afwegingskader bevat zeven kernvragen die een beleidsmaker moet beantwoorden om te laten zien dat het voorgenomen beleid noodzakelijk, effectief, uitvoerbaar, handhaafbaar, naleefbaar en doelmatig is. De beantwoording van die vragen moet er o.a. toe leiden dat er een juiste keuze wordt gemaakt ten aanzien van het te gebruiken beleidsinstrument. Is dat wetgeving? Of misschien goede voorlichting o.i.d.?

Nederland kent al geruime tijd een adviescollege dat beoordeelt of wetgeving het aangewezen instrument is en of de voorgenomen wetgeving niet onnodig belastend is. Dit adviescollege is het Adviescollege toetsing regeldruk, kortweg ATR (voorheen Actal). ATR heeft twee rollen met betrekking tot voorgenomen wetgeving:

  1.  Ministeries in een zeer vroege fase van het beleidsproces helpen bij het vorm geven van beleid dat zo ‘lastenluw’  mogelijk is, d.w.z. dat het beleidsdoel realiseert zonder onnodige lasten voor burgers, bedrijven en professionals. Het beleidsdoel is daarbij een gegeven.
  2.  Toetsen of de onderbouwing van de ontwerpregelgeving adequaat en niet onnodig belastend is. ATR verricht die toets op basis van de consultatieversie van de ontwerpregelgeving (of een vergelijkbare versie indien er geen consultatie plaatsvindt). En ATR kan in sommige gevallen ook een zienswijze uitbrengen over ontwerpwetgeving die richting ambtelijke voorportalen en onderraden gaat. Ook toetst ATR de volledigheid en juistheid van de kwantitatieve onderbouwing.

Toetsingskader

Bij de toetsing van ontwerpwetgeving gebruiken de behandelaars van ATR een toetsingskader dat altijd de volgende vier vragen bevat:

  1. Nut en noodzaak: is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest aangewezen instrument?
  2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?
  3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving moeten naleven?
  4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht?

Het advies van ATR is altijd gestructureerd langs deze vier vragen.

Voor de advisering / toetsing heeft ATR maximaal vier weken, gerekend vanaf het moment dat ATR over alle relevante stukken beschikt. Voor zeer ingewikkelde dossiers kan deze termijn met nog eens vier weken worden verlengd. Hiervan stelt ATR uiteraard de verantwoordelijke bewindspersoon én de dossierhouder tijdig op de hoogte.

De behandelaar bij ATR stelt een conceptadvies op dat hij voor akkoord voorlegt aan het College. Tegelijkertijd krijgt de dossierhouder bij het ministerie dit concept voor ‘hoor en wederhoor’: we horen namelijk graag wat het ministerie van het conceptadvies vindt. De tijd voor hoor en wederhoor is overigens beperkt, omdat ATR anders de adviestermijn van vier weken niet haalt: reken op maximaal een week. De input uit het ‘hoor en wederhoor’ wordt ingebracht in de collegevergadering waarin het conceptadvies wordt besproken.

Na akkoord door het college verstuurt ATR het advies aan de bewindspersoon en aan het Ministerie van EZK (als coördinerend ministerie voor de aanpak van regeldruk). Indien van toepassing dient ATR het advies ook in via de internetconsultatie. Als het voorstel openbaar is/wordt, publiceert ATR het advies op de eigen website.

Dictum

Bij wijze van samenvattend oordeel voorziet ATR in principe elk advies van een dictum. ATR hanteert er vier:

  1. Het college adviseert het voorstel in te dienen / vast te stellen.
  2. Het college adviseert het voorstel in te dienen / vast te stellen, nadat met de adviespunten rekening is gehouden.
  3. Het college adviseert het voorstel niet in te dienen / vast te stellen, tenzij met de adviespunten rekening is gehouden.
  4. Het college adviseert het voorstel niet in te dienen / vast te stellen.

Bij wijze van samenvattend oordeel voorziet ATR in principe elk advies van een dictum. Onderstaande tabel geeft aan wat de criteria voor de verschillende dicta zijn.