Wet en Besluit meeneembare studiefinanciering hoger onderwijs

De mogelijkheid om studiefinanciering mee te nemen naar het buitenland is op 1 september 2007 ingevoerd om de internationale mobiliteit van studenten te vergroten. Studenten komen hiervoor in aanmerking als zij voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Wet studiefinanciering 2000. Naar aanleiding van een uitspraak in 2015 van het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn de wettelijke voorwaarden gewijzigd en vervolgens uitgewerkt in het Besluit studiefinanciering 2000.

Er zijn “harde” en “zachte” criteria geformuleerd aan de hand waarvan een student kan aantonen dat er sprake is van een band met Nederland om in aanmerking te komen voor meeneembare studiefinanciering. Gelet op de jurisprudentie van het Hof wordt nu ook ruimte gelaten voor een student om op een andere wijze aan te tonen dat hij een band heeft met Nederland. Dit kan onder andere door de verschillende criteria waaraan hij niet geheel voldoet te combineren. Daarnaast kan een student omstandigheden aandragen die niet als criterium zijn opgenomen.
Tot nu toe worden alleen aanvragen van studenten die gebruik maken van het vrij verkeer, bedoeld in artikel 21 VWEU, aan de (nieuwe) criteria getoetst. Op basis van de voorliggende wet en het onderhavige besluit, worden ook de aanvragen van (kinderen van) migrerende werknemers hieraan getoetst. Er is dus sprake van een toegevoegde doelgroep. In het vervolg worden zodoende alle aanvragen voor meeneembare studiefinanciering aan dezelfde criteria getoetst.

Het college constateert dat de gevolgen voor de regeldruk nog niet volledig in beeld zijn gebracht. Het college adviseert dat alsnog te doen en die gevolgen in de Nota van toelichting bij het besluit op te nemen.

Advies ATR over  Meeneembare studiefinanciering